Orduynenstraat, een jaar later

Om met het goede nieuws te beginnen: die nul op de meter die halen we wel. Maar daarbij zijn ook wat kanttekeningen te maken. Op 21 mei hebben we met het hele bouwteam (architect, aannemer en adviseurs) het eerste gebruiksjaar geëvalueerd. We hebben (contractueel) afgesproken dat we dat de komende jaren ieder jaar doen zodat alle partijen maximaal leren van de ervaring met ons huis. En natuurlijk ook om te kijken of de energie- en comfort-prestaties van de woning zijn zoals afgesproken. Voor het afgeven van een prestatiegarantie verdient de aannemer sowieso een groot compliment.

Dan nu de kanttekeningen: als bewoner moesten we de afgelopen winter helaas vaststellen dat het warmtecomfort minder was dan verwacht. Zoals in eerdere blogs beschreven hebben we een relatief simpele installatie waarbij de verwarming van de woning geleverd wordt door een na-verwarmer achter de wtw-eenheid die de ingeblazen ventilatielucht bij-verwarmt. Voor extreem koude dagen hebben we dan in de keuken nog een elektrische plintverwarming. in eerste instantie bleek de aansturing van de naverwarming verkeerd gekozen: de na-verwarmer werd aan- en uitgeschakeld op basis van de temperatuur die ingeblazen wordt. Maar zo'n schakeling heeft geen relatie met de feitelijke warmtebehoefte in de leefruimtes. Daarom is in december de aansturing zo veranderd dat de naverwarmer aan- en uitschakelt op basis van de temperatuur van de retourlucht, en dus van de feitelijke temperatuur in de leefruimtes. Dit gaf inderdaad enige verbetering, maar vervolgens merkten we dat de temperatuurverdeling in huis nog niet ideaal was: de slaapkamer op zolder te warm, de tussenverdieping min of meer oké en de begane grond duidelijk te kil. Fijn dat we in de keuken die plintverwarming hadden. Die stond dus veel vaker aan dan vooraf verwacht.

Een tweede ervaring is dat bij dit type verwarming de luchttemperatuur voor een zelfde mate van behaaglijkheid wat hoger moet zijn dan bij een verwarmingssysteem dat ook stralingswarmte levert. Eigenlijk is dat een bekend gegeven dat altijd geldt voor een systeem gebaseerd op luchtverwarming. Omdat de berekeningen er van uit gingen dat het hele huis op een constante temperatuur van 20 à 21 graden gehouden zou worden in een extreem goed geïsoleerd huis, was de verwachting dat de wandtemperatuur en de temperatuur van de raamvlakken (met triple glas) minimaal 17 graden zou zijn. Nu we de luchttemperatuur maar moeizaam op peil kregen, bleven de wanden te koud voor een goede comfort-beleving.

De impact van dit alles op het energieverbruik kunnen we niet exact inschatten, maar op basis van onze monitoring constateren we dat we voor onze verwarming iets meer energie verbruikt hebben dan de prognose, en dat ons overige energieverbruik lager ligt dan geprognosticeerd.

Inmiddels is een tweede modificatie in het vertilatiesysteem aangebracht: de naverwarmer is verplaatst naar achter het toevoerkanaal naar de slaapkamer. De bedoeling is dat zo minder warmte naar de slaapkamer gaat, en meer warmte naar de vertrekken op de begane grond. Omdat deze modificatie pas in april is gerealiseerd, kunnen we nog niet zeggen of het resultaat afdoende is. De verwachting is echter dat de woonkeuken een extra inblaaskanaal zal moeten krijgen.

Met het bouwteam is afgesproken dat we aan het begin van het volgende stookseizoen per inblaaskanaal gaan meten hoeveel warmte de betreffende ruimte wordt ingeblazen om vervolgens op basis daarvan te bekijken welke verdere aanpassingen eventueel nodig zijn.

Hierbij nog de powerpointpresentatie die we bij de evaluatiebespreking gebruikt hebben.

Evaluatie jaar 1

Reactie toevoegen